st maarten news

June 9 Without Dispute Settlement St Maarten Can Sue Holland

June 9 Without Dispute Settlement St Maarten Can Sue Holland

Date June 9, 2022

SMMC hosted (RIVM ) St Maarten

Subject Answering further questions about answering questions about possibilities to challenge (intended) decisions of the Kingdom government


I hereby offer you the answers to the further questions posed by the members of the PvdD faction in response to my answers to the questions about the possibilities of challenging (proposed) decisions of the Kingdom Government. These further questions, to which the parties of GroenLinks, Fractie-Nanninga, PvdA, 50PLUS and Fractie-Otten have joined, were submitted on March 24, 2022, with reference 168555.04U.
 
The State Secretary for the Interior and Kingdom Relations
Kingdom Relations and Digitization


Alexandra C. van Huffelen


Further questions from the members of the PvdD faction about the possibilities to challenge (intended) decisions of the Kingdom Government (submitted March 24, 2022)

Question 1
The members of the PvdD group hold the following view:
– The Charter for the Kingdom of the Netherlands was established by law of 28 October 1954.
– In Article 50 of the Act of October 28, 1954, powers are assigned to the Kingdom government to suspend and annul legislative and administrative measures in Aruba, Curaçao and Sint Maarten.
– Article 51 of the Act of 28 October 1954 grants the Kingdom government the power to intervene in case of neglect of duties in Aruba, Curaçao or Sint Maarten.
– It follows from these articles of law that the Kingdom government is invested with public authority.
– Pursuant to Article 1:1 of the Awb, when exercising those powers, the Kingdom government therefore acts as an administrative body within the meaning of the Awb.
Does the government share this view?

Answer

Undeniably, the Kingdom government is a body invested with public authority. It thus seems to fall within the scope of Article 1:1 Awb, which uses the covering of public authority as a criterion. As I argued in my answer of 7 February, there is an important caveat to this view. The Awb is a Dutch law and in principle only applies to Dutch administrative bodies. Despite the large institutional coincidence with the government of the Netherlands, the government of the Kingdom cannot be qualified as a Dutch administrative body. It is a body of the Kingdom and finds its legal basis in the Charter for the Kingdom, established through the Act of 28 October 1954 mentioned by these members (Stb. 1954, 503), promulgated in Stb. 1954, 596. However, through a broad interpretation of Article 1:1, organs of the Kingdom could also be brought within the reach of the Awb. In that case, the relevant provision does not exclusively relate to Dutch administrative bodies.

This broad interpretation finds some support in the legislative history of the (adjustment legislation) at the Awb. The explanatory memorandum to the Kingdom Act Bill amending a number of Kingdom Acts to the first and second tranche of the General Administrative Law Act (Adjustment of the Kingdom Acts Awb) from 1993 states that in the context of national legislation ‘under the descriptions and exceptions of Article 1: 1 Awb also the corresponding
Kingdom organs are understood.” Whether that means the
 
The question remains that the Dutch administrative court has in principle jurisdiction to hear a dispute about a decision of the Kingdom government (with due observance of the admissibility requirements set out in the General Administrative Law Act). In my previous answer I pointed out that the Advisory Division of the Council of State of the Kingdom of 2015 took the position that “the administrative courts of the countries are not competent to hear disputes in which a body of the Kingdom party to it, as the jurisdiction of these judges is limited to administrative bodies of the country in which they are established.” However, in my answer of 7 February last, I also pointed out that the Dutch administrative court does not seem to see any obstacle in Article 1:1 Awb to offer this legal protection against decisions by ministers in their capacity as minister of the Kingdom.

Question 2
The members of the PvdD group hold the following view:
– The Kingdom of the Netherlands is a legal person. After all, it is inconceivable that the Kingdom, for which a new legal order was established by law of October 28, 1954, would not be a (legal) person in law. Article 1 of that law of October 28, 1954 regulates the existence and scope of the Kingdom, in which

> Retouradres Postbus 20011 2500 EA  Den Haag

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Postbus 20017
2500 EA  DEN HAAG
Datum 9 juni 2022
Betreft Beantwoording nadere vragen over beantwoording vragen mogelijkheden op te komen tegen (voorgenomen) besluiten van de Koninkrijksregering


Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de nadere vragen die zijn gesteld door de leden van de PvdD-fractie naar aanleiding van mijn beantwoording van de vragen over de mogelijkheden om op te komen tegen (voorgenomen) besluiten van de Koninkrijksregering. Deze nadere vragen, waarbij de fracties van GroenLinks, Fractie-Nanninga, PvdA, 50PLUS en Fractie-Otten zich hebben aangesloten, werden ingezonden op 24 maart 2022, met kenmerk 168555.04U.
 
De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Koninkrijksrelaties en Digitalisering





Alexandra C. van Huffelen



Nadere vragen van de leden van de PvdD-fractie over de mogelijkheden om op te komen tegen (voorgenomen) besluiten van de Koninkrijksregering (ingezonden 24 maart 2022)

Vraag 1
De leden van de PvdD-fractie huldigen de volgende opvatting:
– Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is bij wet van 28 oktober 1954 vastgesteld.
– In artikel 50 van de wet van 28 oktober 1954 worden bevoegdheden toegekend aan de Koninkrijksregering tot schorsing en vernietiging van wetgevende en bestuurlijke maatregelen in Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
– In artikel 51 van de wet van 28 oktober 1954 wordt aan de Koninkrijksregering de bevoegdheid toegekend om in te grijpen bij taakverwaarlozing in Aruba, Curaçao of Sint Maarten.
– Uit deze wetsartikelen vloeit voort dat de Koninkrijksregering met openbaar gezag is bekleed.
– Op grond van artikel 1:1 van de Awb treedt de Koninkrijksregering bij uitoefening van die bevoegdheden dus op als bestuursorgaan in de zin van de Awb.
Deelt de regering deze opvatting?

Antwoord

Ontegenzeggelijk is de Koninkrijksregering een orgaan dat met openbaar gezag is bekleed. Daarmee lijkt zij binnen het bereik van artikel 1:1 Awb te vallen, dat bekleding van openbaar gezag als criterium hanteert. Zoals ik in mijn beantwoording van 7 februari jl. heb beargumenteerd, is bij deze zienswijze wel een belangrijke kanttekening te plaatsen.  De Awb is een Nederlandse wet en geldt in beginsel alleen voor Nederlandse bestuursorganen. De regering van het Koninkrijk kan, ondanks de grote institutionele samenval met de regering van Nederland, niet als een Nederlands bestuursorgaan worden gekwalificeerd. Zij is een orgaan van het Koninkrijk en vindt haar rechtsgrondslag in het Statuut voor het Koninkrijk, vastgesteld via de door deze leden genoemde wet van 28 oktober 1954 (Stb. 1954, 503), afgekondigd in Stb. 1954, 596. Via een ruime interpretatie van artikel 1:1 zouden evenwel ook organen van het Koninkrijk binnen het bereik van de Awb kunnen worden gebracht. De betreffende bepaling heeft dan niet uitsluitend betrekking op Nederlandse bestuursorganen. 

Deze ruime interpretatie vindt enige steun in de wetsgeschiedenis van de (aanpassingswetgeving) bij de Awb. In de memorie van toelichting bij het rijkswetwetsvoorstel tot aanpassing van een aantal rijkswetten aan de eerste en tweede tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassing rijkswetten Awb) uit 1993 is vermeld dat in het kader van rijkswetgeving ‘onder de omschrijvingen en uitzonderingen van artikel 1:1 Awb mede de overeenkomstige
Koninkrijksorganen worden begrepen.’  Of dat dan ook betekent dat de
 
Nederlandse bestuursrechter in beginsel bevoegd is kennis te nemen van een geschil over een besluit van de Koninkrijksregering (met inachtneming van de in de Awb gestelde ontvankelijkheidsvereisten), blijft de vraag. In mijn vorige beantwoording heb ik erop gewezen dat de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk uit 2015 zich op het standpunt stelde dat “de bestuursrechters van de landen niet bevoegd (zijn) kennis te nemen van geschillen waar een orgaan van het Koninkrijk partij bij is, nu de bevoegdheid van deze rechters beperkt is tot bestuursorganen van het land waarbinnen zij zijn ingesteld.” In mijn beantwoording van 7 februari jl. heb ik er echter ook op gewezen dat de Nederlandse bestuursrechter in artikel 1:1 Awb geen obstakel lijkt te zien om deze rechtsbescherming te bieden tegen besluiten van ministers in hun hoedanigheid van minister van het Koninkrijk.  

Vraag 2
De leden van de PvdD-fractie huldigen de volgende opvatting:
– Het Koninkrijk der Nederlanden is een rechtspersoon. Het is immers ondenkbaar dat het Koninkrijk, waarvoor bij wet van 28 oktober 1954 een nieuwe rechtsorde is vastgesteld, in rechte geen (rechts)persoon zou zijn. Artikel 1 van die wet van 28 oktober 1954 regelt het bestaan en de omvang van het Koninkrijk, waarmee een juridische entiteit is geschapen.
Deelt de regering deze opvatting?

Antwoord

Deze opvatting deel ik niet. Zoals ik in mijn brief van 7 februari jl. naar voren heb gebracht, wordt vrij algemeen aanvaard dat het Koninkrijk der Nederlanden geen rechtspersoon naar Nederlands burgerlijk recht is, noch naar het burgerlijk recht van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Van dit kenmerk is afgezien bij de totstandkoming van het Statuut in 1954, toen werd besloten dat het Koninkrijk geen eigen vermogen zou bezitten en geen daarmee corresponderende begroting.  

Vraag 3
In paragraaf 4 van uw antwoordbrief is erkend dat het mogelijk kan zijn via een Awb-procedure in beroep te komen tegen een besluit van de Koninkrijksregering, zij het dat het beroepsrecht beperkt zou zijn voor gevallen van toepassing van bevoegdheden die in een rijkswet zijn toegekend.
De bevoegdheid tot vaststelling van een rijkswet is niet opgenomen in de Grondwet maar in het Statuut. Als de uitoefening van een rijkswetbevoegdheid wordt aangemerkt als uitoefening van openbaar gezag waarop de Awb van toepassing is, geldt dat dan niet ook voor de uitoefening van bevoegdheden die in de wet van 28 oktober 1954 tot vaststelling van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden zijn opgenomen?


 
Antwoord

Dat is correct, met dien verstande dat de uitoefening van openbaar gezag door de Koninkrijksregering op grond van het Statuut vaak gericht zal zijn tot bestuursorganen van Aruba, Curaçao of Sint Maarten. Het is niet op voorhand evident dat deze bestuursorganen altijd kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb. Verder roept het Statuut diverse bevoegdheden in het leven die, zo zij al leiden tot een besluit in de zin van de Awb, op grond van de Awb niet vatbaar zijn voor beroep bij de bestuursrechter. Dit is bijvoorbeeld het geval als het besluit een algemeen verbindend voorschrift inhoudt (art. 8:3, eerste lid, onder a, Awb). 

Vraag 4
Kan naar Nederlands burgerlijk recht een staat, anders dan de Staat der
Nederlanden, in rechte worden aangesproken, ook als niet in het Burgerlijk Wetboek van Nederland of in de wetgeving van die staat is bepaald dat die staat over rechtspersoonlijkheid beschikt?
Zo ja, kan een andere staat dan de Staat der Nederlanden het Koninkrijk der Nederlanden in rechte aanspreken bij een burgerlijke rechter in Nederland indien een vordering gegrond wordt op onrechtmatig handelen van het Koninkrijk der Nederlanden, ook al is in het Burgerlijk Wetboek geen rechtspersoonlijkheid toegekend aan het Koninkrijk der Nederlanden?

Antwoord

Nee, andere staten beschikken niet over rechtspersoonlijkheid naar Nederlands burgerlijk recht. Zij kunnen om die reden niet in een civielrechtelijke procedure worden betrokken. 

Vraag 5
In paragraaf 5 van de antwoordbrief stelt u dat u niet met stelligheid durft te zeggen dat de Staat der Nederlanden niet kan worden aangesproken voor onrechtmatig handelen door (of naar aanleiding van een besluit van) de Koninkrijksregering. Mag hieruit worden afgeleid dat de juridische mogelijkheid bestaat dat de landen Aruba, Curaçao of Sint Maarten de Staat der Nederlanden in rechte kunnen aanspreken, indien onrechtmatige uitoefening van in het Statuut toegekende bevoegdheden wordt gesteld?

Antwoord

Het is aan de burgerlijke rechter om in een concreet geval uitsluitsel te geven over de vraag of deze juridische mogelijkheid bestaat. Vooralsnog laat de rechtspraak deze vraag onbeantwoord. Wat ik in mijn antwoordbrief heb willen aangeven, is dat er argumenten bestaan op grond waarvan kan worden aangenomen dat de landen Aruba, Curaçao of Sint Maarten inderdaad over deze mogelijkheid beschikken, zeker zolang geen uitvoering is gegeven aan artikel 12a Statuut.  

Categories: st maarten news

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.